In haar visie en sturingsfilosofie gaat de Wmo uit van een grote eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zichzelf, en voor de mensen om hem heen. Is de burger niet in staat om zelf – met behulp van de mensen in het eigen sociale netwerk of de eigen leefomgeving – zijn participatie te regelen, dan springt de gemeente in. Van professionele organisaties verwacht de gemeente dat zij de burger helpen om zijn eigen problemen op te lossen. Om de integratie van kwetsbare en afhankelijke groepen in de samenleving te bevorderen, wil de overheid door de Wmo bewerkstelligen:

  • Het stimuleren en versterken van zelfzorg, mantelzorg en vrijwilligerswerk
  • Het bevorderen van meer samenhang tussen professionele zorg- en dienstverlening, mantelzorg en vrijwilligerswerk
  • Het ontwikkelen, versterken en verspreiden van initiatieven die werken vanuit het paradigma “de professionele zorg- en dienstverlener is ondersteunend aan de mantelzorger/vrijwilliger”.


De behoefte aan autonomie is groot en ouderen houden met kracht vast aan die eigen regie. Een veelheid aan factoren zoals de fysieke en mentale toestand, het sociale netwerk, de woonsituatie, de (fysieke) lokale infrastructuur, de organisatie van formele en informele zorg, en maatschappelijke voorzieningen, bepaalt hoe en hoe lang de oudere in staat is regie over eigen leven en wonen te behouden. Om ouderen de mogelijkheid te bieden zichzelf in alle vrijheid maximaal te ontplooien, deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten en zelfstandig te leven en wonen, zou de ouderenzorg er op moeten zijn gericht de gevolgen van de afname in het vermogen tot adaptatie en zelfmanagement zo goed mogelijk te voorkomen, detecteren, compenseren of (gedeeltelijk) over te nemen. Het welbevinden van die krachtige ouderen wordt verder bevorderd door terughoudendheid te betrachten in medisch handelen*.

*Toekomstige ouderenzorg; kernwaarden,opbrengsten en perspectief. De visie van CSO, NFU en ZonMw