De doelgroep nader omschreven

Als wij spreken over migranten, dan gaan wij over het algemeen uit van een coherente groep mensen. Dit is echter zeer misleidend, omdat er een grote diversiteit aan migrantengroepen in ons land is. De groep migranten wordt vaak grofweg onderverdeeld in de groep westerse - en niet-westerse migranten . Van de 3,2 miljoen migranten is inmiddels ruim de helft (1,7 miljoen) van niet westerse herkomst. Van de niet-westerse migranten is 42% zelfs in Nederland geboren. Zij behoren dus tot de tweede generatie. De derde generatie, die bestaat uit de kinderen van de tweede generatie, is met ongeveer 45.000 nog gering in omvang en wordt in de statistieken tot de migranten gerekend. Van de niet-westerse migranten behoort twee derde tot een van de vier ‘klassieke’ herkomstgroepen: de Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen . Behalve het onderscheid tussen westerse- en niet-westerse migranten wordt er tegenwoordig ook regelmatig een onderscheid gemaakt tussen de groep ‘oude’ migranten en de groep ‘nieuwe’ migranten. Beide groepen onderscheiden zich van elkaar door de lengte van de periode dat zij in Nederland zijn, de samenstelling van het gezin en de familie (in Nederland en andere Europese landen) en de reden waarom zij naar Nederland zijn gekomen.

‘Oude’ migranten
De groep ‘oude’ migranten is al lange tijd geleden naar Nederland gekomen, hebben hun familie hiernaar toe gehaald in het kader van de gezinshereniging en kennen inmiddels een tweede en derde generatie, die al grotendeels in Nederland is geboren. De eerste generatie is veelal in de zestiger- en zeventiger jaren van de vorige eeuw hier naar toe gekomen. Deze ‘oude’ migranten kwamen vooral om te werken als ‘gastarbeiders’. Nederland had destijds een grote behoefte aan ‘goedkope’ werkkrachten en deze groep voorzag in een behoefte.
Overigens worden onder de ‘oude migranten’ ook de Surinamers en Antillianen gerekend en daarvoor was er een golf van Indische Nederlanders en Molukkers die na 1945 en begin 50’er jaren naar Nederland zijn gekomen. Deze groepen worden niet meer tot de Niet-westerse migranten gerekend. Dus het gaat niet alleen over ‘gastarbeiders’ als je het over de oude migranten hebt.

‘Nieuwe migranten’
De groep ‘nieuwe migranten’ is vrij recent naar Nederland gekomen en zijn ook weer te onderscheiden in de groep die als vluchteling hier gekomen is, zij hebben veelal een niet-westerse achtergrond en de groep uit met name Oost Europa, die hier veelal tijdelijk komen werken en dan weer terug gaan naar hun eigen land om daar met gezin en familie een beter bestaan op te bouwen.

Oudere migranten
Als leeftijdscriterium wordt gebruikt: personen van 55 jaar of daarboven rekenen we tot de ouderen . Migranten zijn eerder ‘oud’ dan anderen. Dit kan te maken hebben met de invloed van het zware werk dat zij hebben verricht of met hun migrantengeschiedenis. Ook kunnen migranten een andere beleving hebben van ouderdom en oud zijn.

De belangrijkste boodschap over de omvang van de groep oudere migranten is dat het aantal ouderen nu nog niet zo groot is, maar in de nabije toekomst snel groter zal worden. In absolute zin vertienvoudigt het aantal migranten ouder dan 65 van nog geen 50.000 nu naar bijna een half miljoen in 2050. Ook in relatieve zin stijgt hun aandeel, van ruim 2% in de totale groep 65-plussers nu naar bijna 5% in 2020 en 12% in 2050 .
Het gaat migranten in Nederland minder goed dan andere Nederlanders. Bijna de helft van de oudere migranten leeft op de armoede grens en zij kampen in vergelijking met hun Nederlandse leeftijdsgenoten vaak met lichamelijke en geestelijke klachten . Kijken we naar enkele indicatoren , dan spreken de cijfers voor zich.

Tabel 8: Algemeen welbevinden[1]

 

Nederlanders

Migranten

1e generatie

2e generatie

Gelukkig tot erg gelukkig

90%

71%

86%



[1] Bron: Allochtonen in Nederland 2004 CBS/Sociale Staat van Nederland 2005 SCP

Het zijn met name de 55-plussers die duidelijk minder vaak werk hebben dan personen uit de andere leeftijdscategorieën. Veel migranten zitten in de WAO, dit geldt voor Turken en Marokkanen in het bijzonder. Daarnaast hebben veel oudere Turkse en Marokkaanse vrouwen nooit betaald buitenshuis gewerkt of zich op de arbeidsmarkt aangeboden.

 

Tabel 9:Armoede[1]

 

Nederlanders

Migranten

Laag inkomen

8%

29%



[1] Bron: Armoedemonitor, SCP 2005

Het Sociaal Cultureel Planbureau heeft beredeneerd dat ongeveer 35% van de totale groep migranten onvoldoende participeert . Het gaat hier om ongeveer 600.000 mensen. Migranten maken daarmee meer dan een kwart van de totale groep kwetsbare burgers uit, die door hetzelfde SCP op niet meer dat 14% van de bevolking wordt geschat .

Tabel 10: Sociale contacten[1]

 

Meer met leden eigen groep

Met beide evenveel

Meer met Nederlanders

Turken

64%

26%

9%

Marokkanen

51%

34%

16%

 

Nederlanders

 

85%

 

12%

Meer met migranten

3%



[1] Bron: Jaarrapport Integratie SCP 2005

Veel Turkse en Marokkaanse ouderen wonen in een mogelijk ongeschikte woning, terwijl zij relatief vaak mobiliteitsproblemen hebben. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze ouderen ook zelf hun woning vaak ongeschikt vinden .


Tabel 11: Wonen[1]

 

Overige Nederlanders

Migranten

Ontevreden over woning

8%

33%



[1] Bron: CBS Allochtonen in Nederland 2004/CBS Integratiekaart 2005


Hoewel bovenstaande cijfers al blijk geven van een behoorlijk slechtere participatie van migranten in de maatschappij, kan worden verwacht dat deze zorgwekkende score in de toekomst op een aantal domeinen verslechtert. Bekend is immers, dat ouderdom met gebreken komt en dus de participatie van mensen afneemt naar mate zij ouder worden. Voor oudere migranten geldt bovendien sterker dan voor anderen dat zij op grote schaal geconfronteerd worden met een sociaal isolement .

Tegelijkertijd hebben veel oudere migranten gevoelens van eenzaamheid en verveling, psychische problematiek door onverwerkte gebeurtenissen uit het verleden of door problemen met kinderen of heimwee. Vooral ouderen in intramurale voorzieningen hebben vaak te maken met gevoelens van boosheid en onmacht omdat de zorg niet aansluit bij wat ze zouden willen en omdat ze zich onheus bejegend voelen. Voor de ouderen is een respectvolle bejegening door zorgverleners belangrijk, het gaat er dan bijvoorbeeld om dat de zorgverlener de oudere met U aanspreekt, de behoefte aan privacy respecteert en geen onderscheid maakt tussen mensen .

Cultuuromslag
Oudere migranten, met name van Turkse en Marokkaanse afkomst, die nu 55 jaar en ouder zijn, (de 1e generatie), hebben speciale verwachtingen van hun kinderen en kleinkinderen.
Deze verwachtingen zijn vergelijkbaar met wat bij ons twee á drie generaties geleden nog gebruikelijk was, en zoals Geert Mak zo treffend beschrijft in zijn boek ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ . Toen was gebruikelijk dat  de ouders, zodra zij niet meer alleen konden wonen of meer behoefte aan zorg kregen, bij hun kinderen kwamen wonen. Het was uiterst ongebruikelijk en getuigde van weinig respect voor de ouders, als de kinderen hun ouders naar een verzorgingshuis of verpleeghuis ‘stuurden’. Het oude bijbelse ‘eert uw vader en uw moeder’ lag aan dit idee ten grondslag.

Ditzelfde patroon zien wij nu terug komen in de 1e generatie migranten die van hun kinderen verwachten, dat zij bij hen in komen wonen zodra zij een partner hebben. Als de ouderen het dan rustiger aan (moeten) doen, kan er voor hen gezorgd worden. Ook hier zien wij dat er een duidelijk religieuze achtergrond aan dit idee zit. De Koran schrijft voor dat moslims goed voor hun ouders moeten zorgen. Dit is mede hun religieuze plicht en hier wordt in de moslimgemeenschap zwaar aan getild.
Migranten met bijvoorbeeld een boeddhistische- of hindoe achtergrond, gaan uit van het principe van reïncarnatie Dit is bij ons te vertalen als: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’, kortom wees goed voor de ander en bouw zo aan uw goede karma.

Kort samengevat zitten de diverse generaties ‘oude’ migranten van met name Turkse en Marokkaanse afkomst, intern al met een groot cultuurverschil tussen respectievelijk de 1e, de 2e en de 3e generatie.  De 1e  generatie oudere migranten verwacht door hun kinderen opgevangen te worden, de 2e generatie is met dit idee opgevoed, maar loopt tegen het praktische feit aan, dat van hen verwacht wordt dat zij beiden (steeds langer) moeten werken en dus niet thuis kunnen zijn voor de opvang van hun ouders. De 3e generatie, die veelal hier geboren is, heeft het Nederlandse onderwijs gevolgd en zijn naar Nederlandse maatstaven opgevoed. Zij zijn niet langer bereid om hun (groot)ouders zonder meer in huis op te nemen en te verzorgen wanneer dan nodig zou worden. Je zou dus kunnen zeggen dat er sprake is van een groot ‘intern migranten cultuurverschil’. Vooral binnen de Turkse en Marokkaanse gemeenschap zijn de verschillen tussen leeftijdsgroepen groot: jongeren identificeren zich aanzienlijk minder vaak met de etnische herkomstgroep dan ouderen. Je zou hier ook kunnen spreken van voortgaande integratie .

Vanuit het oogpunt van de mantelzorgers voor de oudere migranten mag de vraag gesteld worden of het geven van dergelijke intensieve informele hulp niet ten koste gaat van henzelf. Uit onderzoek naar mantelzorg blijkt dat de belasting van mantelzorgers (en daarmee de kans op eigen gezondheidsproblemen) toeneemt, naarmate de hulp die men geeft intensiever en langduriger is . Veel mantelzorgers uit migrantengroepen zijn ernstig overbelast en lopen serieus risico op een burn-out. Zij staan er vaak helemaal alleen voor. Ook weten zij niet dat er voorzieningen zijn die hun taken kunnen verlichten . Uit studie blijkt verder dat de ouderen ook problemen verwachten, onder andere doordat verplichtingen in het werk en het gezin van hun kinderen tijd en aandacht vragen . Sommige ouderen, zonder hulp, willen geen beroep doen op hun kinderen, bijvoorbeeld omdat zij hen niet willen belasten en de relatie goed wensen te houden .

Woonbehoeften
Was het vroeger een goede Marokkaanse – of Turkse traditie, die overigens in zeer veel culturen te vinden is, dat getrouwde kinderen bij hun ouders in gingen wonen. De (groot) ouders hielden zich dan onder andere bezig met de opvoeding van hun kleinkinderen en voor de (groot)ouders werd gezorgd. Je zag dan vaak dat de bouw van een huis nooit af was. Als er een kind ging trouwen werd er een stuk aan het huis gebouwd en het pas getrouwde stel kwam daar wonen, stichtte een gezin en zo breidde de familie zich steeds verder uit en groeide ook het huis.
Als je nu de 1e generatie ‘oudere’ migranten spreekt over hun woonwensen, dan geven zij bijna allemaal aan, dat zij in de toekomst bij hun kinderen willen gaan wonen. Spreek je echter hun kinderen, de 2e generatie, dan hoor je aan de ene kant de traditionele verwachtingen, waarbij zij beseffen dat in deze maatschappelijke situatie, dit steeds minder praktisch toepasbaar is. Deze 2e generatie is op zoek naar nieuwe mogelijkheden in aangepaste vormen van wonen, waarbij ouders en kinderen dicht bij elkaar kunnen wonen, zoals een kangoeroewoning of een tandemwoning. In verschillende woonvormen wordt nu
geëxperimenteerd. Zo zijn er momenteel voor oudere migranten, de drie generatie woningen, dit zijn grote huizen, bestaande uit twee of drie appartementen met elk een eigen opgang en een eigen voordeur, waarin de diverse generaties bij elkaar en toch apart wonen. Gezien de hoge koopprijs voor een dergelijke woning komen migranten hier meestal niet voor in aanmerking. De houding van Turkse en Marokkaanse ouderen tegenover een verzorgingshuis is ronduit negatief. Echter een voorziening waar aansluiting wordt gevonden bij Turkse eet- en leefgewoonten, waar ouderen gelegenheid hebben tot sociaal contact in de eigen taal en waar ruimte is voor de eigen religie, zou meer acceptabel zijn. In de grote steden als Den Haag, Amsterdam, Utrecht en Rotterdam zijn veel groepswoonprojecten voor diverse migrantengroepen opgezet . Er wordt tussen ouderen en hun kinderen nauwelijks gesproken over de zorgverwachtingen van de ouders. Het blijkt een gevoelig onderwerp in huiselijke kring, waarover snel conflictueuze situaties ontstaan . Dit alles lijkt te betekenen dat migranten ouderen, die over het algemeen een laag inkomen hebben, wanneer zij gedwongen zouden worden om naar een meer verzorgde woonvorm te verhuizen, omdat de verzorging te zwaar wordt door de familie, geen keuze zullen hebben . Woongroepen kunnen een alternatief zijn, maar het realiseren van een woongroep is een kwestie van een lange adem. De laatste tijd wordt er steeds meer geëxperimenteerd met diverse kleinschalige woonvormen, waaronder ook de Thuishuisprojecten van ‘Thuis in Welzijn’. Dit woonconcept vertoont overeenkomsten qua opzet, cultuur en samenlevingsvorm met de oorspronkelijke samenlevingsvorm waar oudere migranten in zijn opgegroeid in het land van herkomst. Het betreft hier ook een groot huis waar 5 tot 7 mensen (in dit geval oudere, alleenstaanden die een kleine beurs hebben, en niet direct familie van elkaar zijn), maar die wel op interactieve en een plezierige wijze oud willen worden. In het grote huis heeft ieder een eigen klein appartement, maar er is ook een grote gemeenschappelijke huiskamer, keuken, hobbyruimte en tuin. De bewoners hebben de mogelijkheid om hun eigen boodschappen te doen en hun eigen potje te koken, indien gewenst met familie uit de buurt, en/of samen met vrijwilligers. Deze vrijwilligers zijn ook actief in de wijk waar het huis staat en houden ook in de wijk wonende ouderen in contact met elkaar. Zij zijn om maar een goed Nederlands woord te gebruiken ‘outreachend’ in de wijk, wat wil zeggen dat zij in de wijk een aanspreek- en opvangpunt zijn voor ouderen die uit de boot dreigen te vallen.

Woonwensen
Ouderen met religieuze achtergrond hebben de volgende specifieke woonwensen :
Woning
•    Een afgesloten of afsluitbare keuken.
•    Keuken en slaapkamer bereikbaar vanuit de hal of gang.
•    Een gescheiden douche en toilet waarbij het van belang is dat het toilet niet tegenover de woonkamer is gelegen.
•    Een bidet in badkamer of toilet in verband met vijf keer per dag ritueel wassen.
•    Zeker twee ruimtes, zodat mannen en vrouwen afzonderlijk bijeen kunnen komen.
•    Logeerruimte.

Leefcultuur
•    Geen alcohol in huis.
•    Niet roken in huis.
•    Mogelijkheid om Halal maaltijden te bereiden.
Woonomgeving en voorzieningen
•    Wonen in buurt van kinderen en familie.
•    Wonen in buurten met specifieke voorzieningen zoals speciale slagerij en moskee.
•    Diensten waar behoefte aan is zijn personenalarmering en bezorging van Halal maaltijden
•    Wens om samen in een instelling of voorziening te wonen met andere ouderen met dezelfde culturele achtergrond. Het kunnen communiceren in 
    ‘eigen’  taal en een gevoel van verbondenheid zijn daarbij belangrijk, evenals het gezamenlijk activiteiten ondernemen.
•    Sociale contacten zijn heel belangrijk voor oudere migranten, voor het ontvangen van steun en voor het hebben van gezelschap 

NB. Deze specifieke woonwensen zijn goed inpasbaar met het Programma van Eisen van een Thuishuis.

Het verdient aanbeveling om bij bouwkundige vernieuwing in de wijk, gebruik te maken van moderne kennis over het betrekken van multicultureel samengestelde bewonersgroepen, bij het onderwerp van de woningindeling .
De taal, de culturele achtergrond en religieuze beleving hebben grote invloeden op specifieke wensen en daarmee ook op de vraag naar het gebruik en de waardering van voorzieningen .
Veel oudere migranten uit de 1ste generatie zijn de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig. Met name oudere vrouwen, die veelal jaren binnenshuis hebben vertoefd, hebben grote moeite met de Nederlandse taal. Bovendien kennen deze vrouwen over het algemeen een lage zelfredzaamheid. Dit komt onder meer door hun gebrekkige taalkennis en door het feit dat ze hun volwassen leven uitsluitend hebben gewijd aan het huishouden en de kinderen, terwijl hun partner alles regelde wat te maken had met de buitenwereld .


Tabel 12: Het aandeel hoofden van huishoudens dat aangeeft wel eens problemen met het Nederlands te hebben tijdens het voeren van een gesprek[1]

 

Turken

Marokkanen

Totaal

73%

54%

2de generatie

14%

8%



[1] Bron: Jaarrapport integratie allochtonen CPB/CBS/WODC 2005

Maatschappelijke positie
De opleidingsgraad van de Kaapverdische gemeenschap is vergelijkbaar met die van andere grote allochtone groepen in Rotterdam. Slechts 5% heeft een opleiding op hbo- of wo-niveau. De helft heeft een opleiding op vbo/mavo-niveau, 28% heeft het mbo, havo of vwo gevolgd. Het aantal voortijdig schoolverlaters (19%) en tienerzwangerschappen is hoog onder Kaapverdiaanse jongeren. De arbeidsparticipatie is desalniettemin hoog onder Kaapverdianen, ook onder vrouwen. In 1993  erkte 67% van de mannelijke Kaapverdianen (69% van de totale Rotterdamse mannelijke beroepsbevolking) en 48% van de vrouwen (45% van de totale vrouwelijke beroepsbevolking). Een
meerderheid werkt aan de onderkant van de arbeidsmarkt: 37% van de werkzoekende Kaapverdianen staat als schoonmaker geregistreerd. Veel werken in het havengebied, in de industrie en bij de Shell raffinaderij in Pernis. Kaapverdianen behoorden en behoren tot een etnische minderheidsgroep met een lage werkloosheid. Onder invloed van de economische groei van de laatste jaren is deze zelfs meer dan gemiddeld gedaald.

De eigen organisatiegraad
Het verenigingsleven en het kerkelijk leven bloeit onder de Kaapverdianen in Rotterdam, er zijn veel clubs maar deze worden net zo makkelijk opgericht als ontbonden. In de jaren tachtig werd de FOCR, de Federatie van Kaapverdische Organisaties in Rijnmond, opgericht. Deze organisatie treedt op als koepelorganisatie en verdeelt de beschikbare subsidie onder de aangesloten organisaties. De federatie wordt nog steeds gezien als een bolwerk van de voormalige regeringspartij PAICV, tegenstanders van die partij moeten dan ook niks hebben van de federatie. De Stichting Anvanςo heeft in Rotterdam de werkzaamheden van de FOCR overgenomen. De jongeren hebben zich in de jaren 90 verenigd in de jongerenorganisatie Cabo. Ouderen hebben hun eigen organisatie 55+ Movimento.

De relatie met het integratiebeleid
Kaapverdianen worden ook wel de stille migranten genoemd. De jongerenorganisatie Cabo publiceerde in 1997 een onderzoek waarin de situatie van Kaapverdische jongeren in Rotterdam werd belicht. Met de resultaten van het onderzoek vroeg Cabo de overheid om aandacht voor de mogelijkheden en problemen van de jongeren. Bewust traden ze uit de anonimiteit waarin hun ouders leefden. Wat (nationale) onzichtbaarheid betreft, kan een vergelijking getrokken worden tussen de Chinese en de Kaapverdische migranten. En het is voor Kaapverdianen net zo moeilijk nationaal een vuist te maken als voor de Ghanezen, gezien hun regionale, en zelfs lokale concentratie. Kaapverdianen worden door de migranten- en welzijnsorganisaties in Rotterdam en omgeving als belangrijke doelgroep gezien naast de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse gemeenschappen. Kaapverdianen zijn geen Zuid-Europeanen maar zijn door de koloniale banden met Portugal door de Nederlandse overheid wel bij de categorie Zuid-Europeanen ingedeeld. In de doelgroepdefinitie van de Wet Samen worden de Kaapverdianen ondergebracht onder de categorie ‘migranten uit het continent Afrika’.

Ten aanzien van de gezinssamenstelling kan worden opgemerkt dat er een verhoudingsgewijs sprake is van een hoog aantal Kaapverdiaanse eenoudergezinnen. Deze vormen 27% van alle Kaapverdiaanse huishoudens (ISEO/COS, 2000). Geschat wordt dat zeker de helft van de Kaapverdiaanse kinderen opgroeit in een gezin met een alleenstaande moeder (Naber & Veldman, 1997).

De arbeidsparticipatie van de Kaapverdianen in de beroepsbevolking is hoog, ook van vrouwen. Van de mannelijke Kaapverdianen werkt 67% van de beroepsbevolking, van de vrouwelijke 48%. Kaapverdianen zijn, net als Turken en Marokkanen, veelal werkzaam in ‘elementaire’ beroepen, waarvoor een lagere beroepsopleiding of minder voldoende is. Het aantal schoonmakers is hoog: bij het Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening (RBARijnmond) stond in de eerste 8 maanden van 1995 37% van de werkzoekende Kaapverdianen als schoonmaker geregistreerd. Daarnaast werken veel Kaapverdianen traditioneel bij constructiebedrijven, bij de Shell-raffinaderij in Pernis en bij andere bedrijven in het havengebied. Het aantal zeelieden wordt de laatste jaren steeds kleiner (Strooij 2000:53). In 1996 was het gemiddeld besteedbaar huishoudensinkomen voor Kaapverdianen en Tunesiërs (in deze cijfers samengevoegd) in Nederland 38.600 gulden. Dit komt redelijk overeen met dat van andere allochtone groepen, zoals Turken, Surinamers, Marokkanen en Antillianen. Het gemiddeld besteedbaar huishoudensinkomen van Kaapverdianen steekt ongunstig af ten opzichte van dat van autochtone Nederlanders. Daar is het gemiddelde net boven de 50.000 gulden (ISEO 2000). Het percentage huishoudens dat met een laag inkomen moet rondkomen is bij Kaapverdianen/Tunesiërs 34% (tegen 14% van de autochtone huishoudens). Voor eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens met kinderen geldt dat hiervan 37% een laag inkomen heeft. 16% van de Kaapverdiaanse meerpersoonshuishoudens zonder kinderen heeft een laag inkomen (ISEO 2000).
De tweede dimensie van de sociale infrastructuur omvat de organisaties waarvan Kaapverdianen lid zijn. De Kaapverdianen in Rotterdam blijken een hoge organisatiegraad te hebben. Er is een groot aantal zelforganisaties, op papier ongeveer 70, waarvan een groot deel zich bezig houdt met culturele activiteiten en (voetbal)sport. Door deze veelheid aan zelforganisaties wordt ook een zekere versnippering gesignaleerd. Een van de oorzaken van het gebrek aan samenwerking en de versnippering is de voorkeur van Kaapverdianen zich op basis van hun eiland van herkomst te verenigen. Zoals gezegd is ook onder de Nederlandse Kaapverdianen sprake van een sterke eilandidentiteit, die samenhangt met religieuze en etnische verschillen tussen de eilanden. Het overgrote deel van de Kaapverdianen is rooms-katholiek. Zij vullen in het weekend de banken van de parochiekerk. Bezoekersaantallen van enkele honderden zijn heel gewoon. De parochie speelt ook een belangrijke rol in het sociale leven van veel Kaapverdianen.

Kaapverdianen hebben volgens de geraadpleegde personen een hoge tolerantiegrens wat betreft (gezondheids)problemen; men vindt niet snel dat er reden is om hulp te zoeken. Ernstige problemen, zoals mishandeling, psychische problematiek en schulden, worden vaak gezien als ‘behorend bij het leven’. Men komt uiteindelijk pas bij instellingen of hulpverleners terecht als de problemen zich hoog hebben opgestapeld en men niet meer weet wat te doen. Psychische problemen worden heel slecht onderkend en pas aangepakt als ze zich vertalen in ernstige lichamelijke klachten. Wat betreft de doelgroep ouderen wordt door de geraadpleegde personen opgemerkt dat zij in relatief slechte leefomstandigheden wonen, een laag inkomen hebben, en zeer slecht op de hoogte zijn van voorzieningen. Dit heeft ook te maken met het feit dat zeker de helft analfabeet is en ook weinig tot geen Nederlands spreekt. Over het algemeen spreken de vrouwen iets meer Nederlands, omdat zij in sectoren hebben gewerkt, waarin het spreken van Nederlands meer vereist was dan voor de sectoren waarin de mannen werkzaam waren (haven en scheepvaart). Vrouwen hebben ook iets meer maatschappelijke contacten, vooral door de kinderen. Ouderen die geen partner (meer) hebben wonen meestal alleen. Dit kan leiden tot vereenzaming en sociaal isolement. Het feit dat men elkaar allemaal kent en dat er meer of minder georganiseerde verbanden zijn waarin ouderen elkaar zien, zorgt ervoor dat de alleenstaande oudere er meestal niet helemaal alleen voor staat. Een voorbeeld van georganiseerd contact tussen ouderen is een groep actieve ouderen die ouderen die in het ziekenhuis liggen, bezoeken.

De ouderen hebben veel gezondheidsklachten. De geraadpleegde personen hebben de indruk dat veel van deze klachten psychosomatisch van aard zijn. Zo klagen veel ouderen over vermoeidheid, of slecht kunnen slapen, zonder dat daar een medische aanleiding voor is. Daarnaast zijn de ouderen ‘versleten’. Zij hebben altijd hard gewerkt onder slechte omstandigheden. De toegang tot de huisarts is voor veel ouderen al problematisch, vanwege communicatieproblemen. Er moet bijna altijd iemand mee naar de huisarts om te tolken. Vaak heeft men het idee dat de huisarts hen niet begrijpt of hun klachten niet serieus neemt. Er wordt geen gebruik gemaakt van de thuiszorg. Thuiszorg Rotterdam zit met Avanço om de tafel om na te gaan hoe de toegankelijkheid van deze voorziening kan worden verbeterd. Het inzetten van Kaapverdiaanse hulpen kan hierbij een uitkomst bieden. Het taalprobleem kan hiermee worden opgelost, maar wellicht heeft de inzet van Kaapverdiaanse hulpen als nadeel dat men bang is voor roddel en dergelijke, aangezien men elkaar meestal kent. Als een Kaapverdiaanse oudere goed is geholpen door een arts of instelling gaat het als een lopend vuurtje rond en wil men allemaal deze voorziening bezoeken. Er is een voorbeeld van een arts in Den Haag waar een groot deel van de Kaapverdiaanse ouderen met gezondheidsklachten geweest is. Ook Portugal staat bekend als een goede plek om heen te gaan, als gezondheidsklachten hier niet worden aangepakt of opgelost. Ook hierbij speelt de taal (oudere Kaapverdianen spreken Portugees) een grote rol.
De meeste Kaapverdiaanse ouderen hebben een latente terugkeerwens. Remigratie komt echter weinig voor. Enerzijds zijn er belemmerende factoren in wet- en regelgeving. Het feit dat men binnen een jaar moet beslissen of men daadwerkelijk weer op de Kaapverdische Eilanden wil gaan wonen (en daarmee aanspraken – bijvoorbeeld op gezondheidszorg) moet opgeven, is hierbij meestal doorslaggevend. Maar ook het feit dat de ouderen hier kinderen en andere familieleden hebben speelt hierin een zeer belangrijke rol. Er is overigens wel veel sprake van pendelen. Veel ouderen brengen twee of drie maanden per jaar door op de eilanden.